Kijk op het fotografisch universum door Erwin Puts
Blog
  • © 2005-2020 Erwin Puts Contact Me 0

Blog

24 or 47 Mp?

Heel wat jaren geleden was er een website waarin de makers schreven dat zes miljoen pixels genoeg was voor de meest ambitieuze fotografie. Die stelling werd weggelachen door de betweters die alsmaar meer willen. Een 20x 30 cm beeld met drukklare 300 pixels per inch heeft 8 miljoen pixels nodig. Dan is zestien miljoen zeker genoeg en 24 miljoen is zelfs overkil. Toch schreeuwt de markt naar meer. En 50 miljoen pixels zijn nu de norm. Ook Leica kan zich aan die trend niet onttrekken en biedt nu in de diverse modelreeksen 47+ miljoen pixels. De product manager van Leica zei mij in een van onze laatste gesprekken dat inderdaad 24 miljoen meer dan genoeg zijn, maar dat hij er geen zin in had om maar steeds te moeten blazen tegen de wind in. Die 50 miljoen pixels zijn echt niet nodig voor de foto’s die de meeste mensen maken. Alleen voor uitvergrotingen is het handig. Maar ja wie doet dat nog.
Leica heeft zich zelf in de voet geschoten met de aankondiging van de L-bayonet. Nu heb je naast elke Leica die nog meetelt in de race der volkeren een Panasonic die hetzelfde biedt voor veel minder geld. En dus komt Leica met de SL2-S voor een schappelijke prijs, maar dan met 24 miljoen pixels. Dat krijg je als je ondoordacht beslissingen neemt en eigenaar bent van de fabriek en geen tegenspraak wil hebben.
Ik ben er ook achter gekomen na lange jaren van analyse en vergelijking dat de klassieke kleinbeeld objectieven niet hun beste kanten laten zien op digitaal: de verbetering van scherpte ligt aan de programma’s en niet aan de sensor. De actuele super volumineuze objectieven zijn wel afgestemd op het digitale proces, maar de prijs is niet zozeer geld, als wel ongemak. Wie wil er nu met dit type monster objectieven op weg gaan. Maar we zijn allemaal gewend aan grote vario objectieven. En die zijn bescheiden in vergelijking met de actuele vast brandpunt objectieven. Ik begrijp nog steeds niet waarom product managers aan de ene kant de ISO gevoeligheid opjagen en en aan de andere kant de meest lichtsterke objectieven uit de geschiedenis presenteren.
Dus wil je klein gaan en slow dan is de film variant interessant.


Many years ago there was a website in which the members wrote that six million pixels was enough for the most ambitious photography. That proposition was laughed away by the know-it-all who want more and more. A 20x 30 cm image with print ready 300 pixels per inch needs 8 million pixels. Sixteen million is certainly enough and 24 million is even overkill. Yet the market is crying out for more. And 50 million pixels are now the norm. Leica cannot escape this trend either and now offers 47+ million pixels in the various model series. Leica's product manager told me in one of our last conversations that indeed 24 million are more than enough, but that he didn't feel like having to keep blowing against the wind. Those 50 million pixels really aren't necessary for the photos most people take. It is only useful for enlargements. But who still does?

Leica shot itself in the foot with the announcement of the L-bayonet. Now next to every Leica that still counts in the race of the attention of buyers you have a Panasonic that offers the same for much less money. And so Leica comes with the SL2-S for a reasonable price, but with 24 million pixels. That's what you get when you make ill-considered decisions and own the factory and don't want any comment.

I also found out after long years of analysis and comparison that the classic 35mm lenses don't show their best sides when used in the digital workflow: the improvement of sharpness lies in the programs and not in the sensor. The current super voluminous lenses are indeed tuned to the digital process, but the real cost is not so much money as inconvenience. Who wants to go on the road with this type of voluminous lenses. But we are all used to large vario lenses. And they are modest in comparison with the current prime lenses. I still have to understand why product managers claim super high sensitivities and also super luminous lenses.
So if you want to go small and slow then the film version is interesting.

A new book



Mislukte foto’s bestaan niet! Wie deze uitspraak van de Nederlandse fotograaf Fieret niet gelooft, moet dit boek lezen, geschreven door foto-deskundige Erwin Puts. Fotografische conventies, technische of esthetische, zijn net recepten in een kookboek: het zijn maar regels en je kan ervan afwijken als je dat wil. De heersende maatstaven bepalen of een foto mislukt is. Dat wil de ambitieuze amateur niet: controle is nodig om het toeval te beheersen. De digitalisering van de techniek heeft daarmee een heel ander beeld opgeleverd van de fotografie: wél controle, geen toeval meer. Er worden vaak digitale bewerkingen toegepast die een mislukte foto alsnog verfraaien. Het probleem is niet verdwenen: de vijand van de fotografie is de conventie, of die nu in het hoofd of in de programmatuur zit! Eigenzinnige foto’s maken kan alleen als je de werkelijkheid met een nieuwe kijk beziet. De conventionele beeldproductie is toe aan een fundamentele verandering. Welke dat is, lees je in dit tot nadenken stemmende boek.



Failed photos do not exist! If you don't believe this statement of the Dutch photographer Fieret, you should read this book, written by photo expert Erwin Puts. Photographic conventions, technical or aesthetic, are like recipes in a cookbook: they are just rules for ingredients and you can deviate from them if you like.
The prevailing standards determine whether a photograph has failed. The ambitious amateur doesn't want that: control is necessary and chance is bad.
The digitization of technology has produced an entirely different picture of photography: control is everything, no more chance. Often digital manipulations are applied that improve a failed photograph. The problem has not gone away: the enemy of photography is the convention, whether in the head or in the software!
Making interesting pictures is only possible if you take a new look at reality.
Conventional image production is in need of a fundamental change. Which one this is, you can read in this thought-provoking book.

moderne fotografie


Wat doen moderne fotografen?
Moderne fotografen hebben nog maar een probleem: hoe controleer je een camera die alles automatisch doet? Sommigen gaan voor de nabewerkings programmatuur op de computer. Met enige oefening kun je er visueel spectaculaire resultaten mee bereiken. Je moet dan wel kennis van zaken hebben: er zijn talloze boeken en blogs die daarbij een helpende hand bieden. Op dit terrein zet de moderne fotograaf in. Noemen we dit digigrafie? Omdat het licht er niet meer toe doet? De klassieke amateur en vakman waren trots op de totale beheersing van het fotografisch proces: niets ontsnapte aan de aandacht en het toeval was geheel buiten gesloten. Dat toeval regeerde in de richt-en-schiet cultuur van de snapshot fotograaf en die werd niet serieus genomen door de ambitieuze amateur. Alleen voor sociologen (het gedrag) en etnografen (de foto) was de snapshooter interessant.
Een fotograaf is niet een persoon, maar fotograferen is een sociale activiteit
Laten we duidelijk zijn: de fotograaf is niet een persoon, maar een activiteit, die door die persoon wordt uitgeoefend om met een fototoestel bepaalde doelen te bereiken. Een snapshooter wil herinneringen vastleggen van gebeurtenissen uit het dagelijks leven. Fotograferen is voor de gelegenheids fotograaf een onderdeel van het dagelijks bestaan: het fototoestel is een gebruiksvoorwerp net als een stofzuiger of een televisie. Als er een belangrijke gebeurtenis in het dagelijks leven (nieuw huis, geboorte, vakantie) plaats heeft, dan is er een fotograferend persoon die dit vastlegt voor het familie album. Dit album dient als doel de herinnering levendig te houden van zo een belangrijke gebeurtenis. Het is een vorm van communicatie (“zo was het toen”) Met de alomtegenwoordige mobiele telefoon met ingebouwde camera is het doel vooral de snelle en vluchtige communicatie van dagelijkse momenten die de moeite waard zijn om te delen (“dit ben ik nu aan het doen”).
De verschillende rollen van de hobbyist
De ambitieuze amateur heeft een dubbelrol. De ene rol is die van het vasteggen van de te delen ervaring, net als de snapshooter doet met de mobiele telefoon. De andere rol is die van de echte hobbyist voor wie de camera een instrument is, vergelijkbaar met de aanpak van de ambachtsman. Dan kom je al snel terecht bij de vakman die in opdracht foto’s maakt. Amateurs noemen zich tegenwoordig graag prosumer, waarbij het ‘pro’ niet staat voor producent, maar voor professioneel. Dat geeft al aan dat de serieuze amateur streeft naar foto’s met professionele kwaliteit. De vakman maakt traditionele beelden met een onberispelijke kwaliteit, die vooral in de smaak vallen van het betalend publiek.
De serieuze amateur van nu maakt om verschillende redenen foto’s: als bewijs voor het technisch kunnen, als inzending voor een foto wedstrijd, als expressie middel en als getuige van esthetische smaak.
De lokale fysieke fotoclub en de globale virtuele ‘vrienden’ groep
In alle gevallen heeft de amateur slechts een doel: er bij horen. Dat gold vroeger al toen de lokale fotoclub nog bestond en dat is nu het geval met de digitale beelden die gedeeld worden op een van de talloze foto platforms. De commentaren op die platforms maken duidelijk welke beelden populair zijn en hoe ze gemaakt moeten worden. De camera industrie doet (via brochures, toejuichers (influensers) en advertenties in de fotobladen) daar nog een schepje bovenop door aan te geven dat alleen met de nieuwste camera deze indrukwekkende beelden gemaakt kunnen worden.
Dit levert een krampachtige gedrag op: enerzijds beweren de industrie en de deskundigen in koor dat alleen de eigen visie telt (de camera als potlood); anderzijds wordt beweerd dat het fototoestel plus objectief plus sensor plus programma bepalend zijn (de camera als instrument).

Het dilemma van de serieuze amateur
Is het fototoestel een passief en objectief registratie middel of een creatief hulpmiddel voor het artistieke individu. Dit dilemma heeft de fotograferende persoon al sinds de Kodak camera rond 1900 met het Kodak moment en het enthousiaste Kodak meisje. De richt-en-schiet techniek die de camera industrie na 1950 introduceerde (wie kent nog het begrip van het Electric Eye?) deed er nog een schepje bovenop: er konden geen verkeerde foto’s meer gemaakt worden. Vooral de glamour foto werd gepropageerd (het Kodak meisje stond nu echt voor de camera!).
Het dilemma kreeg gestalte in de keuze tussen de gewone dagelijkse foto of de kunstzinnige salon foto, gemaakt naar analogie van de kunst in musea.
Waarneming is een cultureel proces
De waarneming van de werkelijkheid is een cultureel proces, niet iets wat het biologische oog bepaalt.
Bij de keuze van een motief en de manier waarop dit vastgelegd moet worden is het sjabloon en het visueel stramien van belang dat geldend is voor de cultuur van alledag. Al lang geleden werd duidelijk dat de foto een bepalend element was voor de manier waarop naar de werkelijkheid werd gekeken. Sinds kort weet iedereen dat het brein bepaalt wat er waargenomen wordt via twee kanalen: van onder op en van boven af. Het onder op kanaal wordt gevoed door de kale indrukken die door het netvlies worden geregistreerd. Die indrukken zijn betekenisloos en worden door het proces van boven af geïnterpreteerd. Dit interpretatie mechanisme wordt gestuurd door culturele invloeden, die voor een belangrijk deel sjablonen zijn van eerdere visuele structuren.
De rol van het iconische beeld
Veel foto’s zijn vergelijkbaar met de belangrijke iconische beelden uit de geschiedenis van de fotografie. dan speelt de controle weer een belangrijke rol. Het meerendeel van de foto’s die nu met miljarden op het internet belanden, zijn spontane moment opnames, weinig anders dan de gewraakte snapshots van de kiekjesmaker, alleen technisch beter en er zijn er veel meer van.
De keuze van de amateur
De ambitieuze amateur heeft een vervelende keuze: cliché beelden produceren (de beruchte zestig miljoen zonsondergangen) en de handen op elkaar krijgen van kritische mede amateurs of alle conventies doorbreken en teruggaan naar de spontane moment opname van voorwerpen en gebeurtenissen uit het dagelijks leven. Dat lijkt verdacht veel op het gedrag van de mobiele telefoon bezitter, die ook alles vastlegt, omdat het gratis is en gemakkelijk.
Wat is het verschil?
De mobiele telefoon bezitter accepteert de werkelijkheid zoals die wordt waargenomen.en legt dat ook vast als vorm van communicatie. Die maakt spontane foto’s omdat een foto dat zegt wat niet met woorden is uit te drukken of in ieder geval niet zo snel. Probeer maar eens binnen tien seconden te beschrijven wat er op je bord ligt tijdens de maaltijd.
De echte amateur zal de werkelijkheid als uitgangspunt nemen en er zijn eigen visie aan toevoegen al dan niet met behulp van computer programma’s of bewerkingen door de camera. Het is moeilijk om een unieke foto te maken. De vele manipulaties met sjablonen worden dan een prestatie component. Het cliché gehalte van motief en techniek is herkenbaar: niet de scherpte is van belang (met autofocus, beeldstabilisatie en veel pixels is dit geen thema), maar de onscherpte ( bokeh) is nu bepalend voor de waardering, in welke vorm dan ook.
De rol van het surrealisme en de nieuwe zakelijkheid
De nieuwe amateur accepteert de werkelijkheid die wordt vastgelegd, maar die wordt niet verfraaid of vertekend. Het zien en niet-zien van de waarneming wordt het belangrijkste element net als het toeval: de nieuwe fotograaf wordt een detective die in de foto speurt naar opmerkelijke zaken. De spontane moment opname registreert de dynamiek van de werkelijkheid in een fractie van een seconde. Dat was ook de opzet van de surrealisten die de mobiele kleinbeeld camera met opzet gebruikten om ‘achter de werkelijkheid te kijken’. De kale werkelijkheid heeft een poetische charme: de filmers van de Franse nouvelle vague en het Italiaanse neorealisme wisten dit als geen ander. Wat ontbreekt aan het sober accepteren van de werkelijkheid is de emotionele betrokkenheid bij het voorwerp en onderwerp. Fotograferen is vaak gezwoeg: je moet je onderwerpen aan het dictaat van kunst en de foto wereld. De gelegenheidsamateur maakte foto’s voor het eigen plezier, zonder na te denken over de mogelijke commentaren.
De lange weg van de nieuwe amateur
Het lijkt gemakkelijk om een foto te maken waar je persoonlijk plezier aan beleeft.Het lijkt ook eenvoudig om de werkelijkheid te accepteren zoals die is: dat was de drijvende kracht achter het modernisme sinds 1850. Er aan toe te voegen is de bewondering voor techniek, die het dagelijks leven is gaan beheersen.
Wil je techniek en werkelijkheid op gelijke basis waarderen, dan is de keuze voor een mechanische camera onontkoombaar.
Dat is het thema voor de volgende blog


English translation by Deepl

What do modern photographers do?
Modern photographers have only one problem: how to control a camera that does everything automatically? Some go for the post-processing software on the computer. With some practice you can achieve spectacular results visually. There are numerous books and blogs that can help you with this. This is an area in which the modern photographer makes an effort. Do we call this digigraphy? Because the light doesn't matter anymore? The classic amateur and professional were proud of the total mastery of the photographic process: nothing escaped attention and coincidence was completely out of the question. That coincidence reigned in the aim-and-shoot culture of the snapshot photographer and was not taken seriously by the ambitious amateur. Only for sociologists (the behavior) and ethnographers (the photo) was the snapshooter interesting.
A photographer is not a person, but photographing is a social activity.
Let's be clear: the photographer is not a person, but an activity that is performed by that person in order to achieve certain goals with a camera. A snapshooter wants to capture memories of everyday life events. For the occasional photographer, photography is a part of everyday life: the camera is a utensil just like a vacuum cleaner or a television. If there is an important event in daily life (new house, birth, vacation), there is a photographer who captures it for the family album. This album serves the purpose of keeping the memory of such an important event alive. It is a form of communication ("that's how it was then") With the ubiquitous cell phone with built-in camera, the goal is above all the fast and fleeting communication of daily moments that are worth sharing ("this is what I'm doing now").
The different roles of the hobbyist
The ambitious amateur has a double role. One role is that of fixing the experience to be shared, just like the snapshooter does with the cell phone. The other role is that of the real hobbyist for whom the camera is an instrument, similar to the approach of the craftsman. Then you soon end up with the craftsman who takes pictures on commission. Amateurs nowadays like to call themselves prosumer, where the 'pro' does not stand for producer, but for professional. This already indicates that the serious amateur strives for photos with professional quality. The professional makes traditional images with impeccable quality, which are especially appreciated by the paying public.
Today's serious amateur takes photographs for a variety of reasons: as proof of technical ability, as an entry in a photo competition, as a means of expression and as a witness of aesthetic taste.
The local physical photo club and the global virtual 'friends' group
In all cases, the amateur has only one goal: to belong. This used to be the case when the local photo club still existed and this is now the case with the digital images that are shared on one of the countless photo platforms. The comments on these platforms make it clear which images are popular and how they should be made. The camera industry (via brochures, acclaimers (influensers) and advertisements in the photo magazines) adds to that by indicating that only with the latest camera these impressive images can be made.
This results in a convulsive behavior: on the one hand the industry and the experts in chorus claim that only their own vision counts (the camera as a pencil); on the other hand it is claimed that the camera plus lens plus sensor plus program are decisive (the camera as an instrument).
The dilemma of the serious amateur
Is the camera a passive and objective means of registration or a creative tool for the artistic individual. This dilemma has the photographing person since the Kodak camera around 1900 with the Kodak moment and the enthusiastic Kodak girl. The aim-and-shoot technique introduced by the camera industry after 1950 (who still knows the concept of the Electric Eye?) added another layer to the dilemma: no more wrong pictures could be taken. Especially the glamour photo was propagated (the Kodak girl really stood in front of the camera!).
The dilemma took shape in the choice between the normal daily photo or the art salon photo, made by analogy with art in museums.
Perception is a cultural process
The perception of reality is a cultural process, not something that determines the biological eye.
In the choice of a motif and the way in which it is to be recorded the template and the visual pattern which is applicable to everyday culture are important. A long time ago it became clear that the photograph was a determining element for the way in which reality was looked at. Recently everyone knows that the brain determines what is perceived through two channels: from the bottom up and from the top down. The bottom on channel is fed by the bare impressions registered by the retina. Those impressions are meaningless and are interpreted by the process from above. This interpretation mechanism is guided by cultural influences, which are for the most part templates of earlier visual structures.
The role of the iconic image
Many photos are similar to the important iconic images from the history of photography. then control again plays an important role. The majority of the photos that now end up on the internet with billions, are spontaneous snapshots, little else than the challenged snapshots of the snapshot maker, only technically better and there are many more of them.
The choice of the amateur
The ambitious amateur has an annoying choice: to produce cliché images (the infamous sixty million sunsets) and get the hands of critical fellow amateurs or break all conventions and go back to the spontaneous moment recording of objects and events of everyday life. This is suspiciously similar to the behaviour of the cell phone owner, who also records everything because it is free and easy.
What is the difference?
The cell phone owner accepts reality as it is perceived.and also records it as a form of communication. It takes spontaneous photos because a photo says what cannot be expressed in words, or at least not so quickly. Try to describe within ten seconds what is on your plate during a meal.
The real amateur will take reality as a starting point and add his own vision to it, with or without the help of computer programs or operations by the camera. It is difficult to make a unique picture. The many manipulations with templates then become a performance component. The cliché content of motif and technique is recognizable: not the sharpness is important (with autofocus, image stabilization and many pixels this is not a theme), but the blur ( bokeh) is now decisive for the appreciation, in whatever form.
The role of surrealism and the new professionalism
The new amateur accepts the reality that is recorded, but it is not embellished or distorted. Seeing and not seeing becomes the most important element, just like coincidence: the new photographer becomes a detective who searches for remarkable things in the photograph. The spontaneous snapshot registers the dynamics of reality in a fraction of a second. That was also the intention of the surrealists who deliberately used the mobile 35mm camera to 'look behind reality'. Bald reality has a poetic charm: the filmmakers of the French nouvelle vague and Italian neorealism knew this better than anyone else. What is lacking in the sober acceptance of reality is the emotional involvement with the object and subject. Photography is often a toil: you have to submit to the dictates of art and the photographic world. The occasional amateur made photographs for his own pleasure, without thinking about the possible comments.
The long way of the new amateur
It seems easy to take a photo that you personally enjoy. It also seems easy to accept reality as it is: that was the driving force behind modernism since 1850. To add to this is the admiration for technology, which has come to dominate everyday life.
If you want to appreciate technology and reality on an equal basis, the choice for a mechanical camera is inescapable.





The new directive for optics design

De nieuwe richtlijn voor optiek ontwerp

Nog niet zo lang geleden gold als regel dat een kleinbeeld objectief met een grootste diafragma opening van f/2 kon worden ontworpen met zes lens elementen en een f/1.4 objectief kon goede prestaties leveren met zeven of hooguit acht lens elementen. Dit aantal elementen kon nog in een kleine vatting worden gepast. De norm was een kleine omvang, laag gewicht en behoorlijke prestaties. Olympus en Leica objectieven golden als voorbeeld en ook Canon en Nikon objectieven waren ontworpen met deze richtlijnen. De Zeiss ontwerpers, vaak al trendsetters (zie de MTF discussie) gooiden een knuppel in het hoenderhok met het Otus project: een rampzalige naam, maar zo is de marketing tegenwoordig. Het eerste objectief in de Otus lijn was de Otus 1,4/55 mm twaalf elementen en ook nog Autofocus, althans voor sommige camera modellen. Dat kunnen we nu negeren. De aandacht gaat uit naar het optisch ontwerp. In het verleden gold de stelling dat een scherptevlak maar op een plek mogelijk was en dat je bokeh kon krijgen als je rondom het scherptevlak een uitgerekte positie had waar de scherpte wel van plaats veranderde, maar niet van kwaliteit. De kwaliteit moest dan naar beneden maar dat was geen probleem voor hoog-lichtsterke objectieven. Dit is het kaustisch oppervlak, een soort parabool rondom het scherpte punt. Meer was niet mogelijk met het begrensde aantal elementen. Sinds de constructie van vario objectieven die veel lens elementen hebben, en een behoorlijk volume, werd duidelijk dat veel meer lens elementen twee oplossingen beiden: hoge scherpte in het beeldvlak en een prettige bokeh. De onscherpe achtergrond en voorgrond kon visueel aangenamer gemaakt worden door de onscherpte cirkels te voorzien van een andere lichtverdeling, lees andere beeldfouten. De nadruk op bokeh is mijns inziens volkomen overbodig maar het is nu eenmaal een trend bij het ontwerpen van objectieven, die niet meer weg te denken is.
een tweede trend is ook overduidelijk: meer lens elementen en meer volume geven de ontwerper meer speelruimte om een hoge optische kwaliteit te combineren met andere eigenschappen, zoals bokeh. Bovendien is een deel van de beeldkwaliteit verlegd van de optische kant naar de software kant. Zelfs Leica erkent dit. Een nieuw probleem doet zich nu gelden: een enkele ontwerper kon nog zeven of acht lens elementen overzien, met de hand berekenen en recent manipuleren in de computer. Met de vijftien elementen die nu standaard zijn voor de Japanse industrie is een variatie mogelijk van brandpunt-afstanden van 28 tot 90 mm. De grootte maakt het ook niks meer uit: dat is handig voor de vereenvoudiging van de fabricage. Maar eenaspect wordt vaak over het hoofd gezien: er is een team nodig om zo een complexe lijn van objectieven te ontwerpen! weg zijn de dagen dat je een objectief nog kon koppelen aan een ontwerper. Nu is een team van ontwerpers bezig om een reeks objectieven te ontwerpen. Vermoedelijk is er nog een regisseur die het overzicht heeft en de randvoorwaarden vastlegt. Die worden overigens in toenemende mate door de marketing afdeling bepaald.
We gaan een periode tegemoet waarin de kwaliteit van de objectieven steeds eenvormiger wordt, de grootte ook steeds zal groeien en uniform worden (wie ziet nog het verschil tussen een Zeiss, Leica of Sigma objectief) en de vingerafdruk die de vroegere objectieven kenmerkte wordt vervangen door een standaard die door de computer wordt voorgeschreven.

Engels/English

The new directive for optics design

Not so long ago, the rule was that a 35mm lens with a largest aperture of f/2 could be designed with six lens elements and an f/1.4 lens could perform well with seven or at most eight lens elements. This number of elements could still be fitted in a small mount. The standard was small size, low weight and decent performance. Olympus and Leica lenses were used as examples and Canon and Nikon lenses were also designed with these guidelines. The Zeiss designers, often already trendsetters (see the MTF discussion) threw a bat in the coop with the Otus project: a disastrous name, but so is marketing nowadays. The first lens in the Otus line was the Otus 1.4/55 mm twelve elements and also Autofocus, at least for some camera models. We can now ignore that. Attention is focused on the optical design. In the past, it was stated that a focus plane was only possible in one place and that you could get bokeh if you had a stretched position around the focus plane where the sharpness changed, but not of quality. The quality then had to go down but that was not a problem for high-light lenses. This is the caustic surface, a kind of parabola around the sharpness point. More was not possible with the limited number of elements. Since the construction of vario lenses that have a lot of lens elements, and a considerable volume, it became clear that many more lens elements have two solutions both: high sharpness in the image plane and a pleasant bokeh. The blurred background and foreground could be made more pleasant visually by changing the light distribution of the blurred circles, read other image errors. In my opinion, the emphasis on bokeh is completely superfluous, but it is a trend in lens design that cannot be ignored.
A second trend is also abundantly clear: more lens elements and more volume give the designer more room to combine a high optical quality with other properties, such as bokeh. Moreover, part of the image quality has shifted from the optical side to the software side. Even Leica recognizes this. A new problem now arises: a single designer was able to oversee seven or eight lens elements, calculate them by hand and manipulate them recently in the computer. With the fifteen elements now standard for the Japanese industry, a variation of focal lengths from 28 to 90 mm is possible. The size doesn't matter any more: that's convenient for the simplification of manufacturing. But one aspect is often overlooked: it takes a team to design a complex line of lenses! Gone are the days when you could still link an objective to a designer. Now a team of designers is working on a series of objectives. Presumably there is still a director who has the overview and determines the preconditions. Incidentally, these are increasingly determined by the marketing department.
We are approaching a period in which the quality of the objectives will become increasingly uniform, the size will also grow and become uniform (who can still see the difference between a Zeiss, Leica or Sigma objective) and the fingerprint that characterized the former objectives will be replaced by a standard prescribed by the computer.